Na de Nederlandse capitulatie in 1940 richtte het zogeheten Driemanschap, bestaande uit Louis Einthoven, Johannes Linthorst Homan en Jan de Quay op 24 juli 1940 de Nederlandsche Unie op. Als reactie op de bezetting en het failliet van de vooroorlogse verdeeldheid streefde de beweging naar maatschappelijk herstel en nationale eenheid binnen de nieuwe politieke realiteit, mede om de invloed van de NSB in te dammen.

Het initiatief ontketende een ongekende toeloop: aan het einde van 1940 telde de Unie al circa 600.000 leden en bereikte haar weekblad De Unie een wekelijkse oplage van ruim 300.000 exemplaren. Ook op het Groningse platteland sloeg het appel tot eensgezindheid massaal aan, al leidde de vraag hoe men trouw aan die nieuwe eenheid moest rijmen met oude kerkelijke en politieke overtuigingen meteen tot lokaal debat.In het krantje Trouw, uitgegeven door dominee Nolle van de Hervormde kerk in Obergum staat een lang artikel over de Nederlandsche Unie. Wollig geschreven enigszins vaag. Met leeshulp van AI en het boek Van Rustig Dorp naar dynamische gemeente geeft onderstaande een sfeerbeeld van eind 1940. In die winter zocht Nederland houvast. De bezetting was een feit, het oude politieke bestel lag aan diggelen en de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) rook haar kans om de macht naar zich toe te trekken. In dat vacuüm meldden zich honderdduizenden Nederlanders aan bij de pas opgerichte Nederlandsche Unie. Een merkwaardige, diffuse beweging handelend onder het toeziend oog van de bezetter. Voor de gewone burger was het een vaderlands schild tegen het nationaalsocialisme en NSB-leider Anton Mussert.
Dorpspredikant en CHU-raadslid ds. F.A. Nolle zocht evneeens vanuit Winsum-Obergum naar houvast voor een verscheurd volk. In het plaatselijke kerkblad Trouw zag hij de opkomst van de Nederlandsche Unie niet als een breuk met het verleden, maar veeleer als een triomfantelijke bevestiging van het aloude hervormde volkskerkbegrip. Wat de leiders van de Unie predikten — het afzweren van individualisme, het herstel van gemeenschapszin en de leus „Ik dien”, klonk Nolle volkomen vertrouwd in de oren. Het was voor hem de echo van dr. Hoedemaker: „Heel de kerk en heel het volk.”
In de verzuilde context van 1940 zag ds. Nolle de ARP van Colijn als een naar binnen gekeerde ‘secte’ die de natie verdeelde met een eigen zuil, terwijl hij vond dat de hervormde CHU-traditie – net als het nieuwe eenheidsideaal van de Nederlandsche Unie – juist heel het Nederlandse volk breed en eensgezind onder één christelijke koepel moest verenigen. (na de oorlog bleek dat De meeste verzetsmensen met een protestantse achtergrond waren verbonden aan de ARP (Anti-Revolutionaire Partij) en de Gereformeerde Kerken, niet aan de CHU van Nolle.
Toch mengde zich in Nolles enthousiasme een flinke dosis scepsis. Als predikant en administrateur keek hij vanuit zijn studeerkamer uit op de dagelijkse dorpspraktijk, en die schuurde geregeld met de hoge idealen van het Unie-insigne. Hij zag hoe dorpsgenoten die voorheen geen vier cent per week overhadden voor de kerkelijke hoofdelijke omslag en wiens geweigerde kwitanties nog op zijn bureau lagen, op zaterdagmiddag plotseling met Unieblaadjes colporteerden om voor vijf cent het christendom aan te prijzen. Nolle gunde hun de verandering van harte onder de stelregel van apostel Paulus dat de liefde alle dingen hoopt, maar hij weigerde genoegen te nemen met een vrijblijvende façade.
Ware vernieuwing des geestes eiste een innerlijke ommekeer en de gang naar het kerkgebouw; men kon de evangelische waarden immers niet omarmen en tegelijkertijd de historische kerk negeren.
Die spanning tussen woorden en daden zat bij Nolle niet alleen diep door het colporteren aan de deur, maar vooral door wat zich kort na de capitulatie in de plaatselijke politiek had afgespeeld. Tijdens de raadsvergadering van 28 juni 1940 botste Nolle al over de vraag wat het dorp bijeen moest houden. Bij het voorstel voor een subsidie aan de pas opgerichte christelijke bewaarschool bestreed Nolle fel het gereformeerde zuilendenken. In plaats van aparte schooltjes voor kleuters die immers gewoon samen in het zand speelden, stelde hij een openbare dorpsschool voor waarin de leidster wekelijks voorlas uit een kinderbijbel: een brede, algemeen-christelijke volksopvoeding onder hervormde signatuur.
Tegenover hem stond wethouder L. Pater, de enige sociaaldemocraat in het college, die de subsidie eveneens afwees. Maar waar Nolle de gemeenschap wilde smeden rond het evangelie, verdedigde Pater een strikt neutrale, seculiere overheid zonder enige godsdienstige inmenging. Hoewel beiden met een ’tegen’ het voorstel met vier tegen drie afwezen, bleven hun wereldbeelden onverzoenlijk.
Toen Nolle later in Trouw verzuchtte dat menig oud-klassenstrijder nog bitter weinig had geleerd van de oorlog, had hij onmiskenbaar de houding van de socialistische SDAP wethouder Pater op het oog. Voor Nolle bewees het hardnekkige vasthouden aan seculier-marxistische dogma’s dat de zo vurig bepleitte volkseenheid nog lang geen werkelijkheid was. De Nederlandsche Unie bood in zijn ogen het gedroomde kader om klassen en standen te verzoenen — zoals de maaltijd op een hervormde gemeentedag of het Heilig Avondmaal dat al eeuwen voordeed —, maar dat verbond kon alleen slagen als de voormalige bestrijders van de kerk hun oude stellingen daadwerkelijk verlieten en terugkeerden naar de schoot van de volkskerk.
Nolles timing in juni 1940, nauwelijks enkele weken na de Duitse inval, werd sterk gekleurd door de toen heersende roes van ‘nationale bezinning’. Veel tijdgenoten dachten dat de meidagen het definitieve failliet van het vooroorlogse zuilensysteem hadden ingeluid en dat er ruimte was voor een brede, algemeen-christelijke volksgemeenschap. Achteraf bezien getuigde dat van grote naïviteit. De diepgewortelde verzuiling liet zich niet zomaar wegpoetsen met een kinderbijbel op de dorpsschool. Bovendien bleek de hoop dat de bezettingswerkelijkheid zou leiden tot een harmonieuze christelijk-nationale hergroepering binnen korte tijd een illusie.
Waar Nolle de mond vol had van saamhorigheid en verzoening, werkte zijn houding in de raadzaal en zijn latere felle uithaal in Trouw, waarin hij Pater verweet „nog even marxistisch als vroeger” te zijn, averechts. Door de principiële, seculiere bezwaren van de wethouder te reduceren tot star dogmatisme, ondermijnde de predikant precies de verbroedering die hij zelf voorstond. In plaats van verbinding zaaide zijn stellingname vooral wrevel en onbegrip.
Red.: Drs. F. A. Nolle
De Kerk en de Nederlandsche Unie
Reeds het Augustusnummer van Trouw bevatte de opwekking zich op te geven als lid van de Nederlandsche Unie. Nu is Trouw weliswaar niet een wat men pleegt te noemen „veelgelezen blad” met een massa-oplage, maar het mag gelukkig wel heeten een „goedgelezen blaadje” al is de oplaag slechts duizend exemplaren per maand of bij bijzondere gelegenheden het dubbele. Bij die duizend lezers zullen er niet weinigen zijn, voor wie de vraag over de verhouding van de kerk en de Nederlandsche Unie, beter gezegd wellicht: van de Nederlandsche Hervormde Kerk en de Nederlandsche Unie een urgente is. Nu ligt het zeker niet binnen de bevoegdheid van een dorpspredikant om de houding der kerk als geheel te bepalen, en ik wil mij dan ook eenvoudig beperken tot het weergeven van enkele gedachten, die wij als Hervormden van Winsum-Obergum, bijna zette ik Christelijk Historischen, ten opzichte van de Ned. Unie koesteren. Die gedachten zijn dan a.h.w. de kantteekeningen op wat de Unie zegt en schrijft. Zij hebben dus telkens eerst het woord.
Met welke woorden is de Ned. Unie ons volk in de moeilijkste oogenblikken van zijn bestaan tegemoetgetreden? „Noodzaak van eenheid”[1] „Vernieuwing des geestes”. Zie-daar de omlijnde leuzen waarmede ze oude schuld en nieuwe noodzaak duidelijk voor oogen stelde aan een geschokte natie. „De oude wereld, dat is de wereld van het individualisme. Individualisme beteekent, dat de mensch zichzelf middelpunt maakt van alle denken en handelen”. Na zoo moedig de vinger op de wonde plek van ons volksbestaan te hebben gelegd, wordt de artsenij even kundig bereid, de juiste weg even duidelijk gewezen, als de doolweg werd getoond. Het Septembernummer van de Unie omschrijft wat met die vernieuwing des geestes wordt bedoeld, wederom kort en daardoor zoo klaar: „Ik dien” moet de nieuwe levensleuze zijn. De Ned. Unie wil individualisten weder maken tot menschen van wie hetzelfde gezegd kan worden als van de bouwers der oude kathedralen: „vreugdevol zetten zij zich aan het werk, verrichten zij hun dienst ter eere Gods: ten dienste van de hen komende geslachten, beseffende dat hun persoonlijke dienst hun volksgemeenschap als blijvend en gezegend wezen te leiden en te volmaken.
Waren dat voor ons Hervormden nieuwe klanken? Neen! „Noodzaak van eenheid” was dat niet als de echo van de roep der volkskerk, die sedert Dr. Hoedemaker dringend heeft gewaarschuwd: „Heel de kerk en heel het volk”, aan welke kreet Trouw vele malen ruimte verleende? „Ik dien” was dat niet het bevestigend antwoord op de prediking van het Evangelie van den zich tot den dood toe verloochende Christus, die van zichzelf getuigen kon: „De Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen” en die juist dezen volkomen recht had om van zijn jongeren te eischen, dat hun levenshouding t.o.v. zelfzuchtig, die der dienende liefde zou zijn.
De Kerk is verheugd over deze nieuwe prediking van de door haar reeds lang verkondigde waarheden. Ze zegt niet egocentrisch met de discipelen: „Heere, wij hebben iemand gezien, die in Uwen naam duivelen uitwierp, en ons toch niet volgt, zullen wij hem het zwijgen opleggen?” maar spreekt veeleer liefhebbend, hoopvol en dus ruim: „Wie niet tegen ons is, is voor ons”. Het gaat niet om de prediker in de eerste plaats, noch om de inhoud van de prediking, niet om ons, doch om het heil van ons volk. En hoezeer een groot deel van dat volk deze waarschuwende woorden niet heeft willen hooren omdat de Kerk ze verkondigde! aangezien hun leiders jarenlang het volk tegen de kerk opzetten, dat het dan nu luistere, nu de Ned. Unie haar stem past aan die der kerk. Het gaat er maar om dat ons volk het eindelijk hoort!
Dit teekent juist de houding der kerk in tegenstelling met die van de secte, het standpunt der Christelijk Historischen in onderscheid met dat der Antirevolutionairen. De laatsten waren bovenal partij, zochten hun kracht in hun isolement, in het getal. De Christelijk Historischen ging het om de bezieling van de Christelijke Historische beginselen in ons staatsbestel en als zoodanig is de aanvaarding dezer beginselen door de Ned. Unie hun een groote vreugde en een gereede aanleiding de Ned. Unie van ganscher harte te steunen, zonder te treden in de vraag wie ze het eerst heeft verkondigd, omdat dit debat het heil van ons volk slechts zou schaden. De Kerk zingt gaarne in het groote koor; de sectie streeft naar de solo-partij, en bezit ze een ongetwijfeld goede bariton als Dr. Colijn, dan moet deze ook nu nog alleen zingen. De kerk daarentegen aanschouwt met blijdschap de groei eener groote Nederlandsche oecumenische vereeniging wijl het haar gaat om de eere Gods.
Christelijk Historisch, zoo zegt de Unie van 9 November 1940, beteekent gegrondvest staan op den Bybel (,,er staat geschreven”) en op de geschiedenis (,,er is geschied”). „Uw naam, Christelijk Historischen is poëtischer dan die van Uw medeleden van de Protestantsch Christelijk deel van Nederland, die zich in hun naam negatief uitdrukken.
En haar conclusie is ook de onze: „Uw (onze) plaats is in de Nederlandsche Unie.
Wat heeft de klassenstrijd een schade berokkend aan de harmonische ontwikkeling van ons volk, niettegenstaande de Kerk ernstig beleed: „In Christus is geen Barbaar of Scyth, geen dienstknecht of vrije; maar Christus is alles in allen”. En nu de Ned. Unie ook deze Paulinische kernspreuk tot de hare maakt, zou dan de kerk thans afzijdig staan, juist nu „het daghet in het Oosten”?
En toch staan inderdaad niet weinige getrouwe kerkgangers en oprechte geloovigen eenigszins afzijdig of althans aarzelend tegenover de Ned. Unie, beter gezegd tegenover de ware bedoelingen der Unieleden. Is het wonder? Is het niet begrijpelijk? Ja, zou het niet verwonderlijker zijn, als het iedereen was? Ze weten, juist als geloovigen, dat een bekeering, een tot inkeer komen, een breken met het oude om zich te wijden aan het nieuwe, geen gemakkelijke zaak is. Hun geloofsbelijdenis in het midden der Gemeente heeft hun dat geleerd. Dat kostte strijd, dat was moeilijk; dat is nog dagelijks een worsteling, dat is iederen dag nog moeilijk. Gedachtig aan die eigen strijd, staan ze wat sceptisch tegenover al diegenen die ten opzichte van „klassenstrijdapostel”, „Unitariër” werden, van on- of antikerkelijk propagandisten van de Christelijke beginselen door hun lidmaatschap van de Ned. Unie. Ze weten, en de Ned. Unie weet het gelukkig ook, dat vernieuwing des geestes heel wat meer is, dan het dragen van een insigne of het colporteeren met een krant. Ze zijn dan ook, niet ten onrechte, wat twijfelend omtrent de echtheid van die ommekeer te aanvaarden ook al zouden ze het zoo gaarne wenschen; ook al weten ze dat de gebeurtenissen in de Meimaand velen de oogen hebben geopend.
Zelf overtuigd lid van de Ned. Unie, zie ik van uit het raam iemand gaan met een pak Unieblaadjes. Dat doet mijn hart goed, vooral hierom, omdat het nummer ook een artikel bevat: „De Unie en het Christendom”[2] dat o.m. aldus luidt: De Unie aanvaardt de grondbeginselen van het Christendom als de grondbeginselen van het maatschappelijk leven in ons land. Het is daarom onze plicht de waarde eener menschelijke ziel te eerbiedigen, de waarde v. d. menschelijke verantwoordelijkheid en de uitvloeisels daarvan. De lezer begrijpt, het blijft niet bij deze algemeene betuigingen staan. „De Ned. Unie weet zeer wel”, zoo vervolgt dit artikel, dat het godsdienstig leven niet alleen het persoonlijk geloof betreft; „Godsdienstigheid behoort tot de hoogten en betreedt diepten, waar de invloed van de juistheid van een beginsel slechts een afschaduwing van is.
Nu is in Obergum de Dominee, niettegenstaande het requisitoir van Mussert, tevens administrateur (in het belang van de éénheid van bewind en beheer)[3] en in die kwaliteit heeft hij op zijn bureau vele curiositeiten, o.a. ook een nieuwsgierig makende geweigerde kwitantie, groot zegge twee gulden, zijnde de geheele hoofdelijke omslag voor een heel jaar ten bate der Hervormde Kerk op goede gronden gevraagd en niemand die het dubbele ook niet onbillijk zou mogen noemen. En kijk, wonderlijke speling van het lot, de man op wiens kwitantie deze weigering prijkt, prijst op dezen Zaterdagmiddag zijn medemenschen de grondbeginselen van het Christendom aan, te dien overstaan met het Unieblad, dat, hoe kon het zoo treffen, juist een artikel „De Unie en het Christendom” bevat. Is het nu niet vanzelfsprekend dat de kerk glimlacht en een der leden van het college ondeugend opmerkt: „Die geen 4 cent per week voor de Kerk overhad, wil nu het Christendom voor 5 cent per week aan zijn medemensch verkoopen.” Toch is het niet een schamper gelach, neen veeleer een hoopvol, want de liefde hoopt alle dingen, zij denkt geen kwaad. De Kerk wil aannemen dat ook dien mensch de oogen open gaan voor de fouten van zijn eigen en het volksverleden, en zij hoopt hem weer te zien in de militia Christi, ook al wijzen de uitlatingen van menig ex-klassenstrijdvoerder er nog weinig op, dat men iets heeft geleerd.[4] De kerk wacht met verlangen op het bewijs van de echtheid van hun lidmaatschap der Ned. Unie.
Nu zegge men niet, dat Christendom en Kerk twee verschillende dingen zijn, dat men wel geloovig kan wezen zonder voor de kerk te voelen en dergelijke gemeenplaatsen meer. Die vraag is door de historie in de eerste eeuwen van het Christendom al afdoende beantwoord. Men zegge het vooral niet als lid van de Ned. Unie, omdat zij dat niet minder beslist ontkent en verklaart[5]: „allereerst wordt het persoonlijk geloof wel gemeenschappelijk beleden, maar de kerk is daartoe de aangewezen plaats. De Ned. Unie zou de kerk die taak niet gaarne ontnomen zien, integendeel, zij acht het van het allergrootste belang voor het Nederlandsche volksleven, dat de kerk in staat blijft haar belangrijk werk te verrichten”.
Zoo zijn er vele secretarissen, leden, propagandisten van de Ned. Unie, wier ijver boven alle lof verheven is. Geen zendeling, die in zijn kersteningspogingen hun voortvarendheid overtreft. Maar ze kunnen den tijd niet heugen dat ze de kerkmuren van binnen zagen, nademaal het al vernieuwing is dat de predikant immers deelt of afscheid nam. Ge zijt, niettegenstaande uw groote ijver, mede de oorzaak van de gevreesde daadwerkelijke twijfel van vele leden der Hervormde Kerk, aangaande het bij U zoozeer begrepen grip van de draagwijdte der door U gepropageerde beginselen. Wanneer gij het gezag wel propageert op Zondagmiddag en tegelijk nalaat op Zondag, in Uw leven van alle dag, zult ge zelf de geïncarneerde paradox moeten vertolken. Ge kunt de waarheden van het Evangelie door de Kerk der eeuwen verkondigd, niet belijden en beleven buiten haar om. Alleen reeds het dragen van het insigne verplicht U „mede te werken aan de geestelijke verheffing van ons volk, den Christelijken geest in U zelf en in de samenleving te verwekken” (De volgorde is van het hoogste belang!)
Eén ding mag zeker hier niet ongenoemd blijven als het erom gaat om gemeenschappelijke punten te vinden tusschen de Hervormde Kerk in casu de Hervormde Gemeente van Winsum-Obergum, n.l. de wederontdekking van de waarde der muziek voor ons volk. Nummer 13 van de Unie was in dit opzicht wel een geluksnummer. Hoe juist wordt daarin gewezen op het fatale van Mengelberg, die geheel verdwaald op het spoor der individueele specialisatie zich uitsluitend heeft gericht tot de klasse der kapitaalkrachtigen, maar nooit liefde toonde voor de muzikale ontwikkeling van de breede lagen van ons volk. Inderdaad, om het eens onomwonden te zeggen: Johannes de Heer heeft met zijn orgels en zangbundels meer muziek en zang, al was ze dan nog zoo eenvoudig, in de huizen en harten van menig arbeidersgezin gebracht dan Neêrlands groote dirigent, die in zijn wonderbaarlijke overmoed verzuimde het verzuim van zijn leven goed te maken. „Het geheele Nederlandsche volk moet weer ontvankelijk gemaakt worden voor de waarde van goede muziek. We moeten beginnen met de jeugd”. Dat heeft de Hervormde Gemeente in ons dorp 5 jaar geleden reeds beseft. Toch zegt ze nu niet met gerechtvaardigde trots: Ziet ge nu wel? Zoo stelt het heden haar taak van het verleden in het gelijk; zij verheugt zich reeds in het vooruit te hebben mogen arbeiden aan de teruggave van zang en muziek aan ons volk, aan de jeugd als draagster van de toekomst, en aanvaardt en verleent gaarne elken steun op dit zoo vruchtbare terrein.
Tenslotte nog één zaak. Het doet weldadig aan te lezen hoe in de Unie samengaat en met elkaar praat: koopman en advocaat, winkelier en dokter, arbeider met hoofd en met hand. Wie denkt niet aan het Evangelisch woord: „Eén is uw meester en gij zijt alle broeders”. Ook dit beleed en beleefde de kerk reeds lang, en wel het schoonst in het Heilig Avondmaal. Wanneer de apostel de Gemeente het lichaam van Christus noemt, werkt hij dit beeld in dien zin uit, dat hij verklaart, dat evenmin als het hoofd met de voet strijdt over de vraag wie het meest onmisbaar is, wijl ze samen één organisme vormen, dat zoo ook in de Gemeente de éénheid in Caritas alle vragen over: „wie is de meeste” elimineert.
Toch kan ik mij indenken dat de Avondmaalsganger die die eenheid heeft ervaren even glimlacht als hij het enthousiasme van het heden vergelijkt met de praktijk van het nabije verleden, als hij denkt aan die vergaderingen (nomina sunt odiosa) waar het aantal tafeltjes parallel loopt met het aantal standen, en zich afvraagt hoe het komt dat die saamhoorigheid thans zooveel meer wordt aangeprezen, als voor kort nog gesmaad.
Wat was menige Gemeentedag, zooals dat bij ons heette, een symbool van die eenheid. De één heeft dat vastgelegd en eenieder kan zien hoe de geheele schare zich aan tafel zet zonder onderscheid, of hoe elk in de vrije natuur zijn broodje uit het vuistje eet, om het even of hij het thuis zóó gewend was, of met mes en vork.
Is het niet begrijpelijk, dat de kerk ietwat verwonderd uitroept: Is Saul ook opeens onder de profeten, m.a.w. zij die zich vroeger boven anderen waanden, die zich te veel van standing voelden om naar de kerk te gaan (vooral die van Obergum!) zijn die nu opeens profeten van den waren broederzin, en waarom?!?
Toch onderdrukt ze die uitroep, want nogmaals: de liefde hoopt alle dingen, Paulus durfde zelfs zeggen: Nochtans wordt het Evangelie verkondigd, hetzij in de waarheid, hetzij met bijbedoelingen, en daarom zal ik mij verblijden om des Evangelies wille.
Breed is het terrein waarop Kerk en Unie elkaar kunnen ontmoeten om te komen tot vruchtbare heilzame arbeid. Van de ernst waarmede aan de gepropageerde vernieuwing des geestes wordt gearbeid, hangt af de vruchtbaarheid waarmede ieder lid van de Unie dien Christelijken geest in zichzelf verdiept en daarvan de vruchten toont; het zal voor een groot deel afhangen, of de terecht schroomvalligen hun aarzeling overwinnen. De belangstelling in en het oprechte medeleven met de kerk, mogen het bewijs leveren dat het beruchte beeld van twee ijzers in het vuur op de Unieleden niet past. Naarmate het Unielid den weg vindt naar de kerk, zal de kerk den weg gaan met de Unie. Op die wijze zullen deze twee, steeds meer één, opgaan in het uitleven van de eeuwige waarheden van het Evangelie, die Kerk en Driemanschap ons volk klaar voor oogen stellen. Laus Deo, salus populi. Tot eer van God en het heil van ons volk.
