GOUDEN KARPER

De karper, een grote vis, kwam in onze omgeving voor het eerst in de 12e en 13e eeuw voor. Van oorsprong leefde de karper in de omgeving van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Mogelijk werd het dier meegenomen door reizigers. Monniken ondernamen vroeger lange reizen. Ook de abt van een klooster legde bijvoorbeeld verantwoording af aan de paus in Rome, waarvoor hij zo’n lange reis moest ondernemen. De karper werd in de late middeleeuwen een populaire vis waardoor menig herberg de naam van het dier ging gebruiken. De naam Gouden Karper duidt dus op de mogelijkheid dat er een relatie was met het Dominicaner klooster.
De weg tussen stad Groningen en het noorden van de provincie heette de Heerestraat. Deze weg liep ook via de houten brug van het Winsumerdiep. Onder de brug voeren schepen richting Zoutkamp, Groningen of Ulrum. Nabij de brug lag een haven en op zo’n knooppunt van wegen was een veilige herberg belangrijk.
Het gastenverblijf of hospitium van het Dominicaner klooster was zo’n veilige plek. Dit gebouw lag op de locatie van de Gouden Karper.
Eind 16e eeuw had Winsum een bloeiende economie die zich afzette tegen de stad.

In het nabijgelegen klooster werden landdagen gehouden. Hier probeerden edelen, burgers en geestelijken een gezamenlijk standpunt te bereiken over belasting, handel en veiligheid. Zo besprak men regelmatig de ruzies met de Stad-Groningers.

In 1577 kwam zelfs Marnix van Sint Aldegonde uit de Zuidelijke Nederlanden om bij een ernstig conflict te bemiddelen. Deze vermoedelijke schrijver van ons volkslied overnachtte volgens overleveringen in het hospitium. Hij schreef daar echter niet het Wilhelmus wat men vaak beweerde, want dat was al rond 1570 geschreven. Op 11 juni 1579 was in het hospitium weer zo’n vergadering. Belangrijke historische figuren kwamen overleggen, naast de Ommelander adel was eveneens Graaf Rennenberg, stadhouder van Stad en Lande, aanwezig.

Voor klooster en hospitium heeft al dat gepraat niet gebaat, want in het Winsumer rampjaar 1581 werd het dorp en omgeving door Groningers met de grond gelijk gemaakt.
Op de oude intact gebleven funderingen van het hospitium werd een nieuwe herberg gebouwd. Dat is nog steeds te zien in de benedenverdieping van De Gouden Karper, deze bestaat uit 14e en 15e eeuwse kloostermoppen. Ook zijn daar sporen van kloostervensters aanwezig.
In een oud bewaard gebleven archiefstuk uit de 16e eeuw wordt voor het eerst gesproken over: “De Carper” aan de Heerestraat. Verder is er een bijzondere koopakte van 16 december 1773 bewaard gebleven. Verkoopster Alegonda Eelerts verkoopt aan Geertjens Jacobs de herberg voor 875 Carolusgulden en een zilveren Ducaton. 

In de 19e eeuw werd de Gouden Karper de ontmoetingsplaats voor rederijkers. Tot 1900 mochten er alleen mannen komen dichten, voordragen en toneelspelen. De naam van de club was ‘Regnerus Praedinius’, in de bovenzaal stond zijn borstbeeld.
De gelagkamer van de voorname herberg was vroeger in twee stukken verdeeld. In het voorste gedeelte kwamen rijke boeren om te biljarten. Ook functioneerde de herberg regelmatig als vergaderruimte en secretarie tot aan de voltooiing van het Gemeentehuis.  

Ooit was de Gouden Karper een echte herberg met doorrid. Er waren minstens drie kamers om veilig te verblijven. Het karakter van de herberg veranderde regelmatig, men kan er nu niet meer overnachten. Tegenwoordig is het een pleisterplaats voor wandelaars die er eten, drinken en op het terras vertoeven.

Bronnen:
Info bulletin Winshem, jaargang 2000 5e jaargang nr. 1
Winsum 1957, Muntinga en Brongers, pag 213