DINGHKUM EN DE EPIDEMIE

Men zegt wel eens dat gezondheid niet te koop is. Dat is ten dele waar, immers wie geld heeft leeft vaak gezonder. Ziekten en epidemieën sparen de armsten minder dan de rijken.
Had je helemaal niets meer en kon je ook niet meer rondkomen dan was er in de 19e eeuw de diaconie of een burgerlijk armenbestuur. In 1827 was het Reglement op de Armbesturen tot stand gekomen. In iedere gemeente moest een burgerlijk armbestuur worden opgericht voor ondersteuning van behoeftigen.

In de burgerlijke armbesturen zaten vrijwel uitsluitend plaatselijke notabelen. Er stonden bussen in het dorp waarin men geld voor de hulpbehoeftigen kon doen. Ook de gemeente legde geld bij.
In het armenhuis werd gezorgd voor de dagelijkse levensbehoeftes en de dokter. Ook werd de rekening van de timmerman die voor doodskisten zorgde betaald.
In Winsum besloot men in 1862 een armenhuis in Obergum op te stichten. In 1863 werd het armenhuis gebouwd als een werkverschaffingsproject. Het pand dat toen gebouwd werd bestaat nog steeds, het is Dinghkum aan de Onderdendamsterweg 12.
In de volksmond werd het “stigt of gesticht” genoemd.
Op de zijgevel prijkt de tekst:

„Inrigting voor hulpbetoon & werkverschaffing gestigt in het jaar 1863.
M.J. Ganderheiden. burgemeester.
A.M. Smit. H.W. Wierda. wethouders.”

Na de tweede wereldoorlog werd het een bejaardentehuis en in 1970 verkocht aan particulieren.
Bij de tienjarige volkstelling van 1869 had Winsum 1937 inwoners. Het armenhuis telde er 25, in 1859 waren het er nog 54.

Epidemieën zijn van alle tijden, in 1866 brak in de stad Groningen en in Winsum cholera uit. Er zijn meerdere cholera bacteriën en die komen wereldwijd voor. Er zijn slecht twee typen die de ziekte bij de mens veroorzaken.
Door drinken van besmet water, zwemmen in besmet water of door besmet voedsel kun je de bacterie binnen krijgen. Veel mensen herstellen vanzelf, maar door uitdroging overlijdt toch 2% van de besmetten. In de meeste  gevallen verloopt de ziekte zelfs zonder dat de geïnfecteerde er iets van merkt. 

In de stad Groningen overleden in de zomer van 1866 1051 personen van de 1753 ernstig zieken. In Winsum overleden 53 inwoners aan cholera. Dat is bijna 3% van de aanwezige bevolking.
De ziekte heerste in Winsum vooral in juli en augustus. Vanuit Groningen werd door ziekenverplegers en -verpleegsters hulp geboden. Dat werd ook gedaan in het gestigt, of te wel het armenhuis.

Een aangrijpende brief van mevrouw Pettinga Kroon getuigde daarvan, zij schrijft onder andere:
K. Wetsema en zijnde vrouw zijn beide te Onderdendam overleden. Hunne dochter Trientje wilde haar een bezoek geven; die woonde te Zuidwolde, kwam Zaturdags te huis en wilde Zondags overblijven, moest alzoo getuige van de dood van hare beide ouders wezen.
In hare ellende is zij bij haar oom gekomen in Obergum, want in hare dienst konde zij niet terugkomen.
Doch zij is ook al in het gestigt en aan de gevolgen overleden. Zij sterven maar zoo; al worden

ze ook wat beter, er koomen zwaare koortsen bij en zij zijn dadelijk weg Waar is het einde nog?

Bron:
P. Noord, ‘De cholera-epidemie van 1866’, in: Infobulletin Winshem 1 nr. 2 (1996) p. 12-13
T. van der Schoor, ‘Winsum in de volkstelling van 1869’, in: Infobulletin Winshem 19 nr. 2 (2015) p. 14-16
W. Siemens, ‘Een brief over de cholera‘ Winsems verleden (1957) p. 187
Website RIVM: https://www.rivm.nl/cholera