TIGGELJONGEN

In 1989 werd na herinrichting van het dorpsplein het beeld van een Ticheljongen geplaatst. Dit inmiddels verdwenen beeldje (alleen de sokkel is nog te zien) werd gemaakt door de beeldhouwster Jozephine Wortelboer. Het is een eerbetoon aan de steenfabriekarbeider van weleer en de ticheljongen in het bijzonder.

Aan het Winsumerdiep stonden vier steenfabrieken, Lombok (metselsteen en holle steen), de Brake, Ringoven en Allershof ook wel Griffioen genoemd. De laatste drie produceerden ooit 80% van alle draineerbuizen in ons land. Als twee oude kiezen die je maar niet kunt trekken sieren twee fabriekspijpen het landschap nabij Onderdendam. Aan de andere kant van het Winsumerdiep is dat de Allershof en aan deze kant de Ringoven.

Bij de geschiedenis van het Hogeland hoort klei en als gevolg hiervan baksteenindustrie. Niet alle klei is geschikt, maar waar dat wel zo was verscheen menig Tiggelwaark. Vruchtbare weilanden werden ten behoeve van de fabricage afgegraven.

Reeds in 1553 vestigden tichelaars zich in Winsum, ze hadden pakkende namen zoals Johan Tichler en Johan Pannebacker. De laatste buizen- en steenfabriek sloot in de jaren tachtig van de vorige eeuw.
Voor kleibakken zijn arbeidskrachten, aan- en afvoerwegen, water, klei en brandstof nodig. Het Winsumerdiep was een ideale aanvoerweg voor turf en een zeer geschikt afvoerweg voor de geproduceerde stenen en buizen. Vettige, kalkarme klei was in de nabijheid van de fabrieken volop aanwezig. Door de hoge concentratie ijzeroxide in de klei werd na het bakken de steen helder rood.

Klei werd over spoorbanen, zgn. lorriesporen, naar de fabriek vervoerd. Bij de fabriek werd de klei in natte steenvormen geduwd. Ticheljongens brachten in hoog tempo meerdere met klei gevulde bakjes op een plank naar de overdekte droogloods. Daar werden de natte en zachte stenen uit de vorm geklopt en ter droging op rekken gelegd.

In de droogloods bleef de klei zes tot acht weken liggen en werd het ter verbetering van het gelijkmatig drogen regelmatig gedraaid. Om scheurvorming en barsten van de stenen te voorkomen moesten ze geheel gedroogd zijn. Pas hierna gingen ze de oven in. Het bakken duurde vier weken. Er werd in ploegendiensten gewerkt om het proces gaande te houden. Zwaar werk met werktijden van 12-15 uur.

Na het bakken koelde de oven gelijkmatig af. Stenen verschilden, zo waren die het dichtst bij het vuur hadden gelegen harder en van betere kwaliteit. Door hoge schoorstenen te bouwen kon men extra trek in de ovens veroorzaken en werd er op brandstof bespaard.

Kunststof draineerbuizen en veroudering van de steenfabrieken zorgden voor het einde van deze vierhonderd jaar oude industrie. Zware beroepen als die van ticheljongen, steenvormer en steenbakker verdwenen. Het waren vooral ticheljongens die bloot stonden aan zeer hoge temperaturen en gevaren. Hoe jammerlijk is het dat deze risicovolle arbeid verdween?