OBERGUMER LENGTEMAAT

Aan de noordkant van de Obergumer kerk zit een merkwaardige rij stenen. Een lengtemaat uit  vervlogen tijden wordt wel eens gesuggereerd. De vraag is of dat wel klopt.
Meten is weten en meten lijkt eenvoudig, maar het heeft lang geduurd alvorens er vaste lengtematen waren waar iedereen op kan vertrouwen.

Mensen hebben behoefte aan goede afspraken, daarvoor is het nodig om dingen meetbaar te maken. Dat geld voor munten, gewicht, inhoud en lengte of oppervlaktematen. Lang kon men volstaan met lokale maten. Tot aan de Franse tijd waren er dan ook geen uniforme meetwaarden. Iedere landstreek maakte gebruik van zijn eigen maten. Vaak gebruikte men lichaamsdelen om lengtes te meten. Zo kende men de el, palm, duim, streep, voet, vadem en roede. In 1820 werd in Nederland het metrieke stelsel ingevoerd en in 1869 kwam er een wet die het zelfs strafbaar maakte om met oude maten te wegen of af te rekenen.

Een roede is zowel een oude oppervlakte maat als een oude lengtemaat. Het is heel lastig om aan te geven hoe lang een roede was. Er waren ook nog eens een heleboel verschillende roedes die in lengte verschilden van plaats tot plaats. Lange afstanden werden vaak in roedes gemeten. Twee belangrijke roedes waren de Rijnlandse roede van 12 voet (3,767 meter) en de Amsterdamse roede met een lengte van 13 voet (3,68 meter).

De verdeling van de roede in voeten scheelde per streek. Het aantal voeten kon variëren van 7 tot 21.
De Obergumer roede is volgens het Meertensinstituut 4,67 meter en onderverdeeld in 16 voet.  Om het nog wat ingewikkelder te maken, volgens genoemd instituut is een voet 29,2 cm en die is weer onderverdeeld in 12 duim. Volgens een eenvoudige rekensom is een duim is in dat geval 2,43 cm.
Vaak waren lokale lengtematen aan de buitenkant van een kerk zichtbaar, meestal aan de zuidzijde van een kerk.

Al lang doet het verhaal de ronde dat er een lengtemaat zichtbaar is aan de noordkant van de Obergumer kerk. Het kan niet anders zijn dan dat het een stuk van de Obergumer roedemaat was.
De rij stenen aan de noordkant van de kerk heeft een lengte van ongeveer 127 cm. Dat zijn is 52,3 duim of te wel 4,3 voet.

Het valt echter te betwijfelen of het verhaal dat ooit door de heer Holtkamp uit Kantens de wereld werd ingebracht klopt. Daarvoor zijn meerdere redenen te bedenken.
Ten eerste wijkt de lengte erg af van wat men meestal gebruikte. Het is geen roede, voet of duim of een eenvoudige meervoud daarvan. Er wordt wel eens gesuggereerd dat het een pede of tree zou zijn, maar een pede of tree is hetzelfde als een voet.
Ook is de rij stenen zichtbaar aan de noordkant van de kerk, terwijl een lengtemaat meestal aan de  zuidkant zat. Een ander argument die ingaat tegen het idee dat dit een ingemetselde lengtemaat is, is dat het de enige in stad en lande ingemetselde lengtemaat van deze lengte is. Als laatste vraag ik mij af waarom je zo’n lengtemaat op deze hoogte plaatst. Wil je iets afmeten dan heb je een trap nodig om bij de rij stenen te kunnen.

Bron:
M.A. Holtman uit Kantens,  Groninger Kerken’ Jaargang 14 nummer 3, september 1997.
Website Meertens instituut: https://www.meertens.knaw.nl/mgw/maten/8